EIGEN SCHADUW EN SCHADUWZIJDE

Schaduw is de tegenhanger van licht. Eeen sterke lichtbron resulteert meestal in een groot contrast tussen de belichte en de schaduwzijde. De belichte zijde van het object raakt oververzadigd. De schaduwzijde van het object wordt heel donker. We spreken dan over een diepe schaduw.

De manier waarop de schaduwzijde van een object waargenomen wordt hangt af van:

  • De eigenschappen van het object. De grootte, de vorm, de oppervlaktestructuur, gelaagdheid, transparantie. Voorbeelden zijn: een huis, een boomstam, een bladerdek,  vitrage.
  • Het type licht of lichtbron. Betreft het een puntlichtbron zoals de zon bij helder weer of betreft het meerdere lichtbronnen. Bij een bewolkte dag ontstaat er een diffuus licht. Binnenshuis kunnen we te maken hebben met meerdere lichtbronnen.
  • De richting van het licht t.o.v. het object en de waarnemer. Als je bij tegenlicht naar de schaduwzijde van een object kijkt, dan ontstaat vaak een scherpe afbakening zonder enige doortekening en zien we feitelijk het silhouet. Langs de randen zien we een overstraalde oplichtende rand. Komt het licht van opzij, dan zien we diverse schaduwtonen en toonovergangen. Bij strijklicht ontstaan ook eigen schaduwen, zij het heel subtiel qua textuur en kleur.
  • De directe omgeving nabij het object.

Bij het schilderen van de eigen schaduw is het van belang rekening te houden met genoemde factoren.

De ondergaande zon is een puntlichtbron en zorgt in deze situatie voor tegenlicht en strijkicht. Er ontstaan scherp afgebakende diepe eigen schaduwen. Daarin is maar weinig doortekening te ontdekken.

Het licht van de zon wordt door het bladerdek verstrooid. Bladeren zijn min of meer transparant. Daarbij reflecteren ze een bepaald deel van het spectrum. Daarom ontstaat er een totaal andere eigen schaduw dan van een solide object.

Op grote hoogte is de lucht ijl en het licht sterk. De eigen schaduw van de sneeuwhellingen is heel diep. Op de foto zien we ook slagschaduw.

In het Engels spreekt men over “shade” en “shadow”. Het zijn begrippen die meteen duidelijk maken waarover het gaat.

Shade:

  • Shade is the “darkness” created by a shadow and only really applies to shadows created outside by the sun. Underneath a tree on a sunny day would be “in the shade”. Inside a building would be “out of the sun” and not “in the shade.” However, under a roof with no walls (like a picnic shelter) would be “in the shade.”
  • In het Nederlands kun je dit het best vertalen met “een beschaduwde plek”.

Shadow:

  • A shadow is the silhouette cast by an object that blocks a source of light. You can see your shadow on the ground or a wall or whatever you are blocking from the light source. You can make shadow puppets with your hands. A shadow can be cast by any light source such as a candle, a flashlight, an overhead light, a spotlight, or the sun.
  • In het Nederlands kun je dit het best vertalen met: een schim of een slagschaduw